Druiven

Praktische raadgevingen bij de teelt van druiven
Opkweek en vormsnoei - onder glas en volle grond

Vóór het planten : de voorbereiding van de grond

De plaats waar de druiven zullen aangeplant worden vraagt veel aandacht en de voorbereiding is heel belangrijk. Druiven hebben een vruchtbare, humusrijke en bij voorkeur leemhoudende bodem nodig. Indien het een zandige grond betreft kan het leemgehalte, en dus ook het waterhoudend vermogen van de grond, verbeterd worden door toevoeging van BENTONIET of KLEIMEEL. Meng doorheen het ruim genomen plantgat verteerde stalmest, compost of speciaal hiervoor samengestelde plantputaarde ; deze bevat o.a. lavagruis en andere wortelbevorderende elementen, erg belangrijk voor het hernemen van de groei. Strooi doorheen het plantgat een rijkelijke hoeveelheid zeewierkalk en dien een hoeveelheid aangepaste meststof, zoals FLORANID PERMANENT, toe. Als deze voorbereidingen beëindigd zijn kan er geplant worden. Het is aan te raden de druiven op ongeveer 30 cm van de muur of serrewand te planten, één plant per twee strekkende meters.

Normaal gezien worden druiven geleverd in pot. De plant uit de pot nemen, de wortels voorzichtig losmaken en zo breed mogelijk in de plantput verdelen. Vervolgens de wortelkluit met teelaarde afdekken, aandrukken en er voor zorgen dat de onderstam volledig vrij blijft en boven het grondoppervlak uitsteekt. Regelmatig water geven tot de plant goed is ingeworteld en de bodemstructuur zich hersteld heeft ; als toemaatje wat verteerde stalmest rondom de plant leggen, dit zal zorgen voor een rijk bacterieleven, uitdrogen tegengaan en uitspoelen van voedingsstoffen voorkomen.

Gedurende het 1ste jaar na het planten

Het eerste jaar laten we de druivelaar op één rank doorgroeien aan een plantensteun of stok ; alle dieven of zijscheuten worden weggenomen tot op één blad. Half tot eind september snoeien we de top van de hoofdtak weg om het afrijpen te bevorderen. Bij de wintersnoei (december-januari) wordt de hoofdrank teruggesnoeid tot op drie à vier ogen .

Gedurende het 2de jaar na de aanplant

De 3 of 4 ogen die overgehouden werden van het vorig jaar lopen nu uit en vormen evenveel scheuten. Nu moet men beslissen op hoeveel gesteltakken men verder wenst te kweken ; dat zal meestal 2 of 3 zijn. Hiervoor worden de sterkste en de zich snelst ontwikkelende scheuten aangehouden. Alle dieven die zich op de gesteltakken ontwikkelen worden tot op één blad weggenomen. Laat de gesteltakken tot de nok van de serre doorgroeien en snoei de top dan weg.
Bij de wintersnoei (december-januari) zullen we de gesteltakken terugsnoeien tot op ± 1 meter boven de ent.

Gedurende het 3de jaar na de aanplant

Zodra de ogen op de gesteltakken uitlopen zullen we alleen de bovenste knop laten doorgroeien, en verder als gesteltak aanhouden. Zodra de gesteltak de nok van de serre bereikt wordt hij ingesnoeid.
De gesteltakken worden nu aan de geleidedraden vastgemaakt.
De zijscheuten die zich op de nieuw gevormde hoofdranken vormen, worden teruggesnoeid tot op het eerste blad.
Van het onderste deel van de gesteltakken, die het jaar voordien gevormd werden, zullen de ogen uitlopen ; deze worden als vruchthout aangehouden, maar de hierop gevormde bloemtrossen worden weggenomen op 2 of 3 na. Dit vruchthout wordt wel opgebonden, om dit jaar een eerste beperkte oogst te geven
De gesteltakken worden bij de wintersnoei teruggebracht tot op 2/3 van hun lengte. De vruchttakken, al dan niet in productie, worden teruggesnoeid op 2 ogen.

Gedurende het 4de jaar na de aanplant

In principe wordt de snoei van vorig jaar overgedaan maar nu tot de uiteindelijke lengte van de gesteltakken. De bovenste knop van de gesteltak laat men doorgroeien tot ± 30 cm van de serrenok. De vruchttakken die ontstaan op de 2/3 van de gesteltakken zullen behandeld worden zoals bij een volgroeide druivelaar (max. 6 à 7 trossen per gesteltak).
Bij de wintersnoei zullen de vruchttakken ingesnoeid worden op 2 ogen, en we zullen ook alle stompjes van dieven wegnemen.

Vanaf het 5de jaar na de aanplant

De druivelaar is nu volledig gevormd, vanaf nu kan hij volop vruchten dragen. We beperken echter het aantal vruchttakken op de gesteltakken nog tot 25 à 30 cm van elkaar, met een totaal van 4 à 5 trossen per meter voor de totale lengte van de druivelaar, dus aan beide zijden van de gesteltakken. Gedurende het groeiseizoen worden alle dieven regelmatig weggenomen. Dit is de zomersnoeimethode. Voor het oogsten wordt nog een afrijpingssnoei toegepast, die bestaat erin enkele bladeren rond de tros weg te nemen. De verdere snoei van de druivelaar wordt nu veel eenvoudiger en zal zich tot de wintersnoei beperken ; dit is het terugsnoeien van alle vruchthout, telkens tot op twee ogen.

De ZOMERSNOEI - hoe en wanneer

Zomersnoei bij volgroeide druivelaars bestaat er in alle dieven in een nog jong stadium weg te breken, zodra ze maximaal 10 cm lengte bereikt hebben, om te vermijden dat voedingssappen onnodig aan de planten onttrokken worden. Het vruchthout mag tot op 5 bladeren voorbij de vruchttros worden ingesnoeid.

De WINTERSNOEI - hoe en wanneer

Bij de gevormde druivelaar bestaat de wintersnoei in het terugsnoeien van de vruchtsporen. Deze worden teruggebracht op twee vruchtogen, met bovenaan nog een stukje hout van 5 à 6 mm als bescherming voor het laatste oog tegen uitdrogen of invriezen. Wintersnoei kan gerust in 2 perioden gebeuren, te beginnen met een eerste snoeibeurt rond half oktober tot begin november ; de definitieve snoei kan dan gebeuren van eind januari tot eind februari. Snoeiwerkzaamheden worden het best uitgevoerd bij normale temperaturen, nooit in bevroren toestand, om eventuele vorstschade te voorkomen. Belangrijk is dat de luchtvochtigheid in de serre, na het snoeien niet te hoog is om schimmelvorming op de verse snoeiwonden te voorkomen.

Bemesting

Druiven vragen een rijke bemesting en zijn zeer dankbaar voor een goede luchtige humusrijke grond. Om zulke structuur in de hand te werken kan men jaarlijks een hoeveelheid stalmest rond de wortelzone aanbrengen, wat zeker zal volstaan om de humustoestand in evenwicht te houden. Naast een jaarlijkse hoeveelheid van 1 kg ZEEWIERKALK mag men gerust nog een hoeveelheid PATENTKALI bijgeven. Aan die enkelvoudige meststoffen mag men nog ± 1 kg samengestelde meststoffen toevoegen. De voorkeur gaat uit naar FLORANID PERMANENT. Strooi deze meststoffen in een brede kring rond de wortelzone, niet direct rond de stam. Deze bemestingsmethode mag elk jaar herhaald worden ; in het volle groeiseizoen mag nog een kleinere bijbemesting gedaan worden en een laatste toegift onmiddellijk na de oogst.

Ziektebestrijding bij serredruiven - buitendruiven

De belangrijkste ziekteverwekkers bij zowel serre- als buitendruiven zijn echte meeldauw - botrytis en spint.

  • Echte meeldauw: bij voorkeur preventief behandelen met een specifiek systemisch fungicide. Oïdium laat zich zeer moeilijk bestrijden eens de ziekte zich voordoet.
  • Botrytis of valse meeldauw: met systemisch of contact-fungicide bestrijden.
  • Spint of mijten: met diverse specifieke acariciden bestrijden.

 

Bestel nu